1885
NU

HULP AAN
JONGE MOEDERS

SPECIAAL
ONDERWIJS

ALGEMEEN

AMBULANTE
HULP

Samen bouwen aan een toekomst voor ieder kind

Onze missie. Vanaf het allereerste begin.

In deze Altra canon ziet u hoe Altra en haar medewerkers vanaf 1885 tot nu, hulp hebben geboden aan kinderen en hun ouders, aan jonge moeders en hun baby's, aan leerlingen en scholen. Annette Versluys Poelman, Elisabeth Boddaert en Wilhelmina Bladergroen waren de grondleggers van Altra. Zij zetten zich in voor de toekomst van kinderen. Niet uit liefdadigheid maar vanuit een diep gevoel van rechtvaardigheid: een toekomst voor ieder kind.

ZIJ WERKTEN AAN:
  • Een toekomst voor ongehuwde moeders en hun buitenechtelijke kinderen
  • Een toekomst voor kinderen die afglijden naar het criminele pad
  • Een toekomst voor kinderen met leer- en gedragsproblemen
GESCHIEDENIS
VAN ALTRA
GESCHIEDENIS
VAN
NEDERLAND
De geschiedenis van Altra (roze bollen) hangt nauw samen met de geschiedenis van Nederland (blauwe bollen). Zo is de aankondiging van de kinderwet, waarbij ouders uit de ouderlijke macht kunnen worden ontzet bij ernstige verwaarlozing, voor Elisabeth Boddaert aanleiding het eerste Boddaerthuis op te richten. Zij vindt dat kinderen en ouders bij elkaar horen en samen geholpen moeten worden.


Klik op de bollen en ontdek de rijke geschiedenis van Altra in woord en beeld. In de rechterkantlijn vindt u nog meer materiaal: filmpjes, achtergrondartikelen, interviews.


1853

Geboorte Annette Versluys Poelman
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/788AnnetteVersluysPoelman.jpg

Geboorte Annette Versluys Poelman

Annette Versluys Poelman richtte het eerste opvanghuis op waar ongehuwd moederschap niet als zondig werd gezien. Ongehuwde moeders moesten gesteund worden vond zij, niet moreel veroordeeld.

Annette Versluys Poelman (1853-1914)

Annette Versluys-Poelman richtte in 1905 in Amsterdam een tehuis op voor ongehuwde moeders en hun kinderen. Nu, ruim een eeuw later, kunnen jonge moeders en hun kinderen nog altijd op Altra rekenen voor specialistische hulp.

 

 

Annette Versluys-Poelman met haar 4 zonen, eind jaren 1890Annette Versluys-Poelman met haar 4 zonen, eind jaren 1890

 

Wie was zij?

Annette Versluys-Poel was een van de zes dochters van dominee, publicist en later radicaal-liberaal Tweede Kamerlid A.L. Poelman. Omdat haar vader blind was, stond Annette hem zoveel mogelijk bij door de Kamerstukken thuis aan hem voor te lezen. Vader Poelman was zowel in religieus als politiek opzicht een vooruitstrevend man. Annette’s ouderlijk huis heeft zonder twijfel de basis gevormd van waaruit zij ontwikkelde tot standvastig en radicale leidsvrouw van de vrouwenbeweging.

Annette deed een opleiding voor onderwijzeres maar heeft nooit voor de klas gestaan. Ze hielp haar man die uitgever was en kwam zo in contact met vooruitstrevende literaire schrijvers.

 

Wat dreef haar?

Annette Versluys heeft zich sterk ingezet voor vrouwenrechten. Kiesrecht voor vrouwen en het onrecht bestrijden rond ongehuwde moeders en hun kinderen waren haar speerpunten. In 1894 richtte zij met andere feministes van het eerste uur, Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs, de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht op. Tot 1903 was zij presidente van deze vereniging.

 

Zij was ook betrokken bij de oprichting, en later presidente van, de Vereniging Onderlinge Vrouwenbescherming. De VOV bood financiële en morele steun aan ongehuwde moeders, streed tégen de dubbele seksuele moraal en vóór hervorming van de huwelijkswetgeving.

 

Wat waren haar ideeën?

Annette Versluys was sterk gekant tegen het verplichte boete doen door ongehuwde moeders in christelijke tehuizen. Dat ongehuwde moeders boete moesten doen voor hun zonde, en dat de betrokken mannen niets kwalijk werd genomen, vond zij onrechtvaardig.

 

 

In 1905 richtte zij daarom aan de Amsterdamse Gerard Brandtstraat een tehuis voor ongehuwde moeders en onverzorgde zuigelingen van alle gezindten op. Het was het eerste tehuis voor ongehuwde moeders in Nederland dat gebaseerd was op vrijzinnige/ humanitaire denkbeelden. Dit tehuis heeft tot 1992 haar naam gedragen: tehuis Annette. Anders dan de christelijke huizen waar ongehuwde moeders boete moesten doen voor hun zonde, wilde men in tehuis Annette de ongehuwde moeders de ogen openen voor het hen aangedane onrecht en hen aan moedigen in het verzet tegen voor ongehuwde moeders vernederende wetgeving.

 

1853 begrafenis annette versluys

 

1866

Geboorte Elisabeth Boddaert
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/elisabeth-boddaert-vierkant.jpg

Geboorte Elisabeth Boddaert

Elisabeth Boddaert heeft met de oprichting van het eerste Boddaerthuis in Amsterdam (1903) het fundament gelegd voor Altra’s latere daghulp en ambulante hulp.

Wie was zij?

Jonkvrouwe Elisabeth Boddaert groeide op binnen een welgestelde adellijke familie. Zomers verbleven zij op het Zeeuwse kasteel Westhove. Later wordt het kasteel verkocht aan een tante, die het bestemd als kosteloos herstellingsoord voor zwakke kinderen van arme ouders. Elisabeth blijft Westhove bezoeken.

 

Wat dreef haar?

Na het volgen van een verpleegstersopleiding in Lausanne gaat Elisabeth in Edinburgh als verpleegkundige in een gevangenis werken. De trieste levensverhalen van de misdadigers maken indruk op haar. Het is haar eerste kennismaking met de onderkant van de maatschappij. Zelf verkeert zij in hofkringen, maar het rijke mondaine milieu bevalt haar diep in haar hart niet.

 

Wat waren haar ideeën?

Begin 1900 keert zij terug naar Nederland. Zij wil iets met haar ervaringen doen en sticht in 1903 het eerste dagtehuis voor schoolgaande jeugd in de Nicolaas Beetsstraat. Niet vanuit liefdadigheid maar vanuit een gevoel van rechtvaardigheid.

Zij was met haar pedagogische opvattingen haar tijd ver vooruit. Zij geloofde niet in repressieve maatregelen zoals tuchtscholen, maar zette in op warme, preventieve begeleiding om naar criminaliteit afglijdende kinderen te helpen. Het kwade overwinnen door het goede.
Haar initiatief valt ook politiek en maatschappelijk in goede aarde. Zelfs bij de sociaal-democraten, die niets moesten hebben van grootburgerlijke liefdadigheid omdat die de onderworpenheid van de arbeidersklasse in stand zou houden. Maar dat kon van Boddaert’s plan zeker niet gezegd worden!

 
 

Sterk persoonlijk betrokken.

Haar priveleven en werk zijn altijd nauw verbonden geweest. Na haar verloving met een testvliegenier, die later verongelukte, heeft zij langdurig samen gewoond en gewerkt met jonkvrouwe en pedagoge Constantia van Spengler. Samen verbleven zij in de zomer bij Constantia’s oma in Heelsum. Elisabeth nam dan ook altijd een paar kinderen mee uit de dagverblijven zodat zij er ook eens uit waren.

In de Hongerwinter verhuisden de kinderen en personeel naar Friesland. Bij terugkomst in Amsterdam bleken de dagverblijven beschadigd en geplunderd. Elisabeth’s gezondheid was zwak en de wederbouw vergde haar laatste krachten. In 1948 overleed zij. Zij liet haar kapitaal volledig na aan de Vereniging Boddaerthuizen.

1903-Boddaert-2-briefje-aan-pupil-(henk)

 
 

1885

Oprichting ongehuwde moederhuis Hubertus
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1885-hubertushuis-vierkant.jpg

Oprichting ongehuwde moederhuis Hubertus

Dat er hulp is voor ongehuwde moeders en hun kinderen is niet vanzelfsprekend. Lange tijd moesten ongehuwde moeders “de last van hun zonde” zelf dragen. Als dat de moeder niet lukte werd haar kind in een armenweeshuis, bij familie of in – soms dubieuze - pleeggezinnen onder gebracht. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond langzaam meer oog voor maatschappelijke problemen. Christelijk geloof werd gekoppeld aan het bieden van hulp: armenzorg, strijd tegen alcoholisme, hulp aan verwaarloosde jeugd, prostituees en zwakzinnigen. Prostituees en ongehuwde moeders werden gezamenlijk opgevangen; want beiden werden gezien als “gevallen vrouwen” die boete moesten doen voor hun zonde. In Amsterdam werden eind negentiende eeuw twee tehuizen voor ongehuwde moeders opgericht: de Rooms-katholieke Hubertusvereeniging en het protestants-christelijke Beth Palet.

Dat vrouwen boete moesten doen voor hun onzedelijk gedrag en mannen niets werd kwalijk genomen was onverteerbaar voor feministen van het eerste uur, waaronder Annette Versluys-Poelman. Zij streden tegen die dubbele seksuele moraal en eisten gelijke rechten voor buitenechtelijke kinderen. In het Burgerlijk Wetboek stond in die tijd nl. dat het onwettige, niet erkende kind moest worden beschouwd als een vondeling voor wie niemand verantwoordelijk was. Naast politieke druk wilden deze feministen ook praktische steun bieden. In 1905 openden zij tehuis Annette; een huis waar ongehuwde moeders geen boete hoefden doen.
De hulp aan ongehuwde moeders bewoog steeds met de tijdgeest mee. Het afstand doen van de baby was tot begin jaren vijftig ongewenst. Christenen vonden dat vrouwen de consequenties van hun zonde zelf moesten dragen. En niet-christenen waren tegen afstand doen vanuit de natuurlijke band tussen moeder en kind.
Daarna verminderde de invloed vanuit het geloof en kwam de wetenschap op. Ongehuwd moederschap werd niet zozeer meer gezien als schandelijk, maar wel als schadelijk voor het kind. Psychologen en psychiaters deden hun intrede en onderzochten vanuit hun deskundigheid of een ongehuwde moeder voor haar kind kon zorgen.
Vanaf half jaren vijftig ontstond een sterke politieke lobby om juist afstand te doen.

 

1885-1898-1905-ongehuwde-moeders-(2)

 

Canon sociaalwerk: FIOM

 

 

 

Zou de baby bij een net getrouwd stel dat zat te smachten naar een kind niet veel beter af zijn?
Het kind houden werd ondenkbaar: niemand wilde een vrouw die een kind had of een kind had gehad. Afstand doen werd de standaard. In die periode tot eind jaren zeventig hebben in Nederland zo’n 25.000 ongehuwde moeders hun baby afgestaan. De tehuizen voor ongehuwde moeders hadden zich altijd sterk gemaakt voor het bij elkaar houden van moeder en kind, maar door de grote politieke druk, de vraag naar baby’s vanuit kinderloze echtparen en omdat een deel van de ongehuwde moeders zelf afstand wilde doen, ontstond een situatie die de hulpverleners in de tehuizen dan maar liever zelf in goede banen wilde leiden. Wat het afstand doen emotioneel betekende voor moeder en kind werd pas jaren later duidelijk.

 

 

Afstandsbaby’s

Aflevering van VPRO,s Andere Tijden over het afstaan van baby’s door ongehuwde moeders tussen 1956 en eind jaren zeventig.

 

 

In de jaren zestig kwam er vanuit de sociologie kritiek op die pathologische kijk op ongehuwd moederschap; ongehuwd moederschap was problematisch omdat de maatschappij het niet accepteerde. Ook vanuit de opkomende tweede feministische golf was er kritiek: professionele hulpverlening was betuttelend. Opvang van vrouwen moest geen zaak zijn van deskundigen die weten wat goed voor je is. Vrouwen waren in staat zichzelf en elkaar te helpen en eigen beslissingen te nemen. Vanuit die gedachte werden de Blijf-van-mijn-Lijfhuizen opgericht. Wat eerde ondenkbaar was, werd nu een fenomeen: de BOM-moeder (vrouwen die bewust voor ongehuwd moederschap kozen).

 
 

Door de anticonceptiepil en de legalisering van abortus nam het aantal ongewenste zwangerschappen vanaf 1970 sterk af . Toch bleef de behoefte aan hulp groot, alleen de doelgroep veranderde. De groep alleenstaande gescheiden moeders groeide sterk, mishandelde vrouwen en hun kinderen hadden crisisopvang nodig, verslaafde moeders en hun kinderen waren een bron van zorg en uit Suriname en de Antillen afkomstige alleenstaande jonge moeders hadden in Nederland zonder hun familie behoefte aan hulp.

 
 

Een deel van de tehuizen voor ongehuwde moeders ging verder als vrouwenopvangvoorziening, later maatschappelijke opvang. De drie Amsterdamse tehuizen, inmiddels gefuseerd tot Afra, werden een jeugdzorgvoorziening en bleven zich specifiek richten op opvang van tiener- en jonge moeders, op dag-/nachthulp voor kinderen van alleenstaande ouders (totaalcrèche, later daghulp voor 0-4 jarigen) en 24 uurs crisisopvang voor jonge kinderen.
Opnieuw onder invloed van de tijdgeest en wetenschappelijke inzichten is de residentiële opvang van jonge moeders en jonge kinderen in tehuizen afgebouwd. Jonge moeders en hun kinderen worden nu op een kleinschalige, huiselijke manier geholpen in gezinshuizen. Andere jonge moeders krijgen hulp binnen hun netwerk of worden ambulant geholpen op hun weg naar zelfstandigheid.

 
 

Zielzorg voor ongehuwde moeders

Dit boekje is in 1949 uitgegeven door de Hubertusvereniging. Het geeft advies over de houding die priesters moeten aannemen als een ongehuwde moeder zich tot hen wendt voor raad en hulp. Er wordt benadrukt dat het de heilige plicht van de moeder is zelf voor haar kind te zorgen en geen afstand van haar kind te doen.

Als motief voor het afstand willen doen van haar baby geeft het meisje vaak op: de schande. En ook voor de parochie is “zulk een geval een oneer.”

 

1885-1898-1905-ongehuwde-moeders-9
De daad was verkeerd maar goede katholieken dragen hun kruis en ontvluchten het nooit. Er is slechts een weg; de rechte.

 

Hubertus 60 jaar

Dit boekje werd uitgegeven bij het zestig jarig bestaan van tehuis Hubertus (1898-1958). Het blikt terug op het historisch verloop van de hulp aan ongehuwde moeders. Bij de start werden zowel bedreigde meisjes als ongehuwde moeders opgenomen. Voor beide groepen bestond een aparte kas: de Marthakas en de Magdalenakas.

 

“Op 2 augustus 1926 trokken we met ons armelijk boeltje (het liefst waren we ’s nachts verhuisd) naar een groot huis: Plantage Middenlaan 27.”
“Het hele bezit van de vereniging bestond uit Fl. 200,- in een ouderwetse grote knipbeurs”

 

Informatiebrochure Beth Palet

De ze brochure, verschijningsdatum onbekend, geeft een beeld van het goede werk van Beth Palet en eindigt met de woorden dat de lezer ook iets aan deze meisjes en haar kinderen kan geven: “geldelijke gaven, liefdevolle gedachten en gebeden.”

 

1885-1898-1905-ongehuwde-moeders-5
Zodra het kindje geboren is, krijgt dit een plaatsje op de keurig ingerichte babyzaal, geheel wit gehouden met hier en daar een fijn oranje lijntje. Hier zwaait een gediplomeerde zuster de scepter. En de moeder leert hier hoe zij haar kindje verzorgen moet.

 
 

Gevallen & opstaan

Gedenkboekje uitgegeven bij het 100 jarig bestaan van Beth Palet (1885-1985). De hulp ontwikkelde zich van liefdadige ondersteuning naar hulp en begeleiding. De doelgroep van ongehuwde moeder naar alleenstaande ouder en verslaafde moeders en hun kinderen. Veel veranderde maar Beth Palet bleef huis van toevlucht.
“door volharding kwam ook de slak in de ark”

 

Rond 1954 zijn vanuit de Hubertus Vereeniging een aantal filmpjes gemaakt. De bewegende beelden laten hoogtepunten binnen het ongehuwde moederhuis zien: de komst van Sinterklaas, verjaardag van de pater, een feestje op de binnenplaats, een uitje van de moeders.. Op de beelden is ook de Plantage Middenlaan, waar het Hubertushuis gevestigd was, rond half jaren vijftig zichtbaar.

 

1885-1898-1905 ongehuwde moeders 7

 

1898

Oprichting ongehuwde moederhuis: Beth Palet
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/04/1898-Beth-Palet-4kant.jpg

Oprichting ongehuwde moederhuis: Beth Palet

Dat er hulp is voor ongehuwde moeders en hun kinderen is niet vanzelfsprekend. Lange tijd moesten ongehuwde moeders “de last van hun zonde” zelf dragen. Als dat de moeder niet lukte werd haar kind in een armenweeshuis, bij familie of in – soms dubieuze - pleeggezinnen onder gebracht. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond langzaam meer oog voor maatschappelijke problemen. Christelijk geloof werd gekoppeld aan het bieden van hulp: armenzorg, strijd tegen alcoholisme, hulp aan verwaarloosde jeugd, prostituees en zwakzinnigen. Prostituees en ongehuwde moeders werden gezamenlijk opgevangen; want beiden werden gezien als “gevallen vrouwen” die boete moesten doen voor hun zonde. In Amsterdam werden eind negentiende eeuw twee tehuizen voor ongehuwde moeders opgericht: de Rooms-katholieke Hubertusvereeniging en het protestants-christelijke Beth Palet.

Dat vrouwen boete moesten doen voor hun onzedelijk gedrag en mannen niets werd kwalijk genomen was onverteerbaar voor feministen van het eerste uur, waaronder Annette Versluys-Poelman. Zij streden tegen die dubbele seksuele moraal en eisten gelijke rechten voor buitenechtelijke kinderen. In het Burgerlijk Wetboek stond in die tijd nl. dat het onwettige, niet erkende kind moest worden beschouwd als een vondeling voor wie niemand verantwoordelijk was. Naast politieke druk wilden deze feministen ook praktische steun bieden. In 1905 openden zij tehuis Annette; een huis waar ongehuwde moeders geen boete hoefden doen.
De hulp aan ongehuwde moeders bewoog steeds met de tijdgeest mee. Het afstand doen van de baby was tot begin jaren vijftig ongewenst. Christenen vonden dat vrouwen de consequenties van hun zonde zelf moesten dragen. En niet-christenen waren tegen afstand doen vanuit de natuurlijke band tussen moeder en kind.
Daarna verminderde de invloed vanuit het geloof en groeide en kwam de wetenschap op. Ongehuwd moederschap werd niet zozeer meer gezien als schandelijk, maar wel als schadelijk voor het kind. Psychologen en psychiaters deden hun intrede en onderzochten vanuit hun deskundigheid of een ongehuwde moeder voor haar kind kon zorgen.
Vanaf half jaren vijftig ontstond een sterke politieke lobby om juist afstand te doen.

 

Zou de baby bij een net getrouwd stel dat zat te smachten naar een kind niet veel beter af zijn?
Het kind houden werd ondenkbaar: niemand wilde een vrouw die een kind had of een kind had gehad. Afstand doen werd de standaard. In die periode tot eind jaren zeventig hebben in Nederland zo’n 25.000 ongehuwde moeders hun baby afgestaan. (in de rechterkantlijn verwijzing naar www.canon sociaalwerk.eu/nl_mo Venster 1930 FIOM) De tehuizen voor ongehuwde moeders hadden zich altijd sterk gemaakt voor het bij elkaar houden van moeder en kind, maar door de grote politieke druk, de vraag naar baby’s vanuit kinderloze echtparen en omdat een deel van de ongehuwde moeders zelf afstand wilde doen, ontstond een situatie die de hulpverleners in de tehuizen dan maar liever zelf in goede banen wilde leiden. Wat het afstand doen emotioneel betekende voor moeder en kind werd pas jaren later duidelijk.

 

In de jaren zestig kwam er vanuit de sociologie kritiek op die pathologische kijk op ongehuwd moederschap; ongehuwd moederschap was problematisch omdat de maatschappij het niet accepteerde. Ook vanuit de opkomende tweede feministische golf was er kritiek: professionele hulpverlening was betuttelend. Opvang van vrouwen moest geen zaak zijn van deskundigen die weten wat goed voor je is. Vrouwen waren in staat zichzelf en elkaar te helpen en eigen beslissingen te nemen. Vanuit die gedachte werden de Blijf-van-mijn-Lijfhuizen opgericht . (in de rechterkantlijn verwijzing naar www.canon sociaalwerk.eu/nl_mo Venster 1930 FIOM). Wat eerde ondenkbaar was, werd nu een fenomeen: de BOM-moeder (vrouwen die bewust voor ongehuwd moederschap kozen).

 

Door de anticonceptiepil en de legalisering van abortus nam het aantal ongewenste zwangerschappen vanaf 1970 sterk af . Toch bleef de behoefte aan hulp groot, alleen de doelgroep veranderde. De groep alleenstaande gescheiden moeders groeide sterk, mishandelde vrouwen en hun kinderen hadden crisisopvang nodig, verslaafde moeders en hun kinderen waren een bron van zorg en uit Suriname en de Antillen afkomstige alleenstaande jonge moeders hadden in Nederland zonder hun familie behoefte aan hulp.

 

Een deel van de tehuizen voor ongehuwde moeders ging verder als vrouwenopvangvoorziening, later maatschappelijke opvang. De drie Amsterdamse tehuizen, inmiddels gefuseerd tot Afra, werden een jeugdzorgvoorziening en bleven zich specifiek richten op opvang van tiener- en jonge moeders, op dag-/nachthulp voor kinderen van alleenstaande ouders (totaalcrèche, later daghulp voor 0-4 jarigen) en 24 uurs crisisopvang voor jonge kinderen.
Opnieuw onder invloed van de tijdgeest en wetenschappelijke inzichten is de residentiële opvang van jonge moeders en jonge kinderen in tehuizen afgebouwd. Jonge moeders en hun kinderen worden nu op een kleinschalige, huiselijke manier geholpen in gezinshuizen. Andere jonge moeders krijgen hulp binnen hun netwerk of worden ambulant geholpen op hun weg naar zelfstandigheid.

 

Zielzorg voor ongehuwde moeders

Dit boekje is in 1949 uitgegeven door de Hubertusvereniging. Het geeft advies over de houding die priesters moeten aannemen als een ongehuwde moeder zich tot hen wendt voor raad en hulp. Er wordt benadrukt dat het de heilige plicht van de moeder is zelf voor haar kind te zorgen en geen afstand van haar kind te doen.
Quotes:
Als motief voor het afstand willen doen van haar baby geeft het meisje vaak op: de schande. En ook voor de parochie is “zulk een geval een oneer.”
De daad was verkeerd maar goede katholieken dragen hun kruis en ontvluchten het nooit. Er is slechts een weg; de rechte.

 

Hubertus 60 jaar
Dit boekje werd uitgegeven bij het zestig jarig bestaan van tehuis Hubertus (1898-1958). Het blikt terug op het historisch verloop van de hulp aan ongehuwde moeders. Bij de start werden zowel bedreigde meisjes als ongehuwde moeders opgenomen. Voor beide groepen bestond een aparte kas: de Marthakas en de Magdalenakas.

 

“Op 2 augustus 1926 trokken we met ons armelijk boeltje (het liefst waren we ’s nachts verhuisd) naar een groot huis: Plantage Middenlaan 27.”
“Het hele bezit van de vereniging bestond uit Fl. 200,- in een ouderwetse grote knipbeurs”

 

Informatiebrochure Beth Palet
De ze brochure, verschijningsdatum onbekend, geeft een beeld van het goede werk van Beth Palet en eindigt met de woorden dat de lezer ook iets aan deze meisjes en haar kinderen kan geven: “geldelijke gaven, liefdevolle gedachten en gebeden.”
Zodra het kindje geboren is, krijgt dit een plaatsje op de keurig ingerichte babyzaal, geheel wit gehouden met hier en daar een fijn oranje lijntje. Hier zwaait een gediplomeerde zuster de scepter. En de moeder leert hier hoe zij haar kindje verzorgen moet.

 

Gevallen & opstaan
Gedenkboekje uitgegeven bij het 100 jarig bestaan van Beth Palet (1885-1985). De hulp ontwikkelde zich van liefdadige ondersteuning naar hulp en begeleiding. De doelgroep van ongehuwde moeder naar alleenstaande ouder en verslaafde moeders en hun kinderen. Veel veranderde maar Beth Palet bleef huis van toevlucht.
“door volharding kwam ook de slak in de ark”

 
 

1901

Invoering leerplichtwet
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1901-leerplichtwet-vierkant.jpg

Invoering leerplichtwet

Vanaf 1901 verplichtte de leerplichtwet kinderen van 6 tot 12 jaar tot het volgen van onderwijs. Voor dove en blinde kinderen waren er al speciale schooltjes. Maar door invoering van de leerplichtwet werd ook duidelijk dat er nog meer kinderen waren die niet goed pasten binnen het gewone onderwijs: kinderen met een cognitieve beperking en kinderen met gedragsproblemen.

1903

Oprichting 1e Boddaerthuis
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1903-boddaerthuis-vierkant.jpg

Oprichting 1e Boddaerthuis

Vanuit haar werk met misdadigers had Elisabeth Boddaert ervaren dat jongeren vaak door armoede en verwaarlozing in het criminele circuit terecht kwamen. Naar haar idee kon je niet vroeg genoeg beginnen met de opvang van verwaarloosde kinderen. Daar wilde zij in Amsterdam mee aan de slag.

Het kwade overwinnen door het goed

In 1903 richtte zij het eerste tehuis voor schoolgaande kinderen in Amsterdam op. Aanvankelijk kreeg zij weinig steun voor haar ideeën. Over misdadige jeugd werd nog erg traditioneel gedacht, nl. in termen van opsluiting en tucht. Elisabeth Boddaert had een andere visie: zij wilde het kwade overwinnen door het goede.

 

1903-boddaerthuis

 

Samen met ouders

De Kinderwetten van 1905 maakten het mogelijk ouders uit de ouderlijke macht te ontzetten en kinderen in een tehuis te plaatsen. Nieuwe jeugdinternaten, liefst zo ver mogelijk van de stad, schoten als paddenstoelen uit de grond. Boddaert zag niets in het plaatsen van kinderen in opvoedingsgestichten. Zij vond dat kinderen bij hun ouders hoorden en niet ver van huis in gestichten geplaatst moesten worden. Zij wilde hen juist begeleiden in de vier milieus waar hun leven zich afspeelde: straat, huis, school en tehuis. Hen “bijtijds, en door een zachte doch sterke hand, leiden te midden van de verleiding. Boddaert was met haar opvatting over samenwerking met ouders haar tijd ver vooruit. Anders dan in de traditionele tehuizen gingen kinderen ’s avonds gewoon weer naar huis.
Haar stond een tehuis voor ogen voor kinderen die door aanleg of verkeerde omgang extra gevoelig zijn voor de verleidingen van de criminaliteit en daarom duurzame leiding en toezicht nodig hadden.
De kinderen werden buiten de schooluren dagelijks opgevangen en de ouders werden geholpen bij de opvoeding. Alleen “genezing” te midden van alle verleiding, kan deze kinderen voorgoed op het goede spoor zetten. En noch door opsluiten en afzonderen, noch door dwang maar door het ontwikkelen van een eigen vrije wil.” Bescherming is geen genezing, vond Elisabeth Boddaert. Haar appѐl op het ontwikkelen van eigen verantwoordelijkheid bij deze kinderen is voor die tijd een nieuw geluid.

 

Hulp in de buurt

Het plaatsen van kinderen in een gesticht vond zij stigmatiserend en het gestichtsleven monotoon en star. Zij wilde een tehuis onopvallend in een huizenrij, in de buurt waar kinderen wonen, naar school gaan en op straat spelen. Het moest er zo gewoon mogelijk aan toe gaan. De kinderen werden individueel behandeld en er werd veel aandacht besteedt aan afwisseling van activiteiten.
Volgens Boddaert kwam misdadig gedrag van kinderen voort uit de moeilijkheden die het kind heeft, bijvoorbeeld door armoede of als resultaat van ontwrichtte of onvolledige gezinnen.
Omdat kinderen al met de erfelijke last van hun ouders opgescheept zaten, was Boddaert geen voorstander van straf en strengheid: zo,n kind is al genoeg gestraft. Ze pleitte juist voor warmte, liefde, huiselijkheid en gezelligheid om de tekorten van het kind aan te vullen.

 

Een belangrijk denkbeeld van Boddaert betrof co-educatie, waarbij de kinderen elkaars voorbeeld zijn en elkaars voornaamste opvoeder vormen.

1903_soep

Jongens en meisjes werden op dezelfde manier behandeld en moesten aan dezelfde activiteiten meedoen. In de traditionele gestichten werden jongens en meisjes doorgaans strikt gescheiden.
In de uren die de kinderen naar school gingen, bezochten de leidsters de ouders. Om te zorgen dat kinderen na hun tehuisperiode goed terecht kwamen en verder konden leren of een betrekking vinden, werd een nazorgambtenares aangesteld. Haar taak was zorg te dragen voor de plaatsing van het kind in een vak of betrekking die met de eigen aard of aanleg van het kind overeen kwam en een vinger aan de pols te houden. En ook de freule zelf bleef zeer betrokken bij haar oud-pupillen.

Tussen 1903 en 1930 werden in Amsterdam vier Boddaerthuizen geopend. In de oorlogsjaren bleven de Boddaerthuizen zoveel mogelijk open. Maar genoodzaakt door voedselproblemen verhuisden de leidsters in februari 1945 met zo’n vijftig kinderen naar Noordoost Nederland. Bij terugkomst bleken de tehuizen te zijn geplunderd.

 

Door verlenging van de schoolplicht (tot 16 jaar) was het nodig de aanpak aan te passen aan jongeren in de puberteit. In 1969 werd daarom een woonboot gekocht (’t Schiphuys) waar jongeren meer hun eigen gang konden gaan. Het experiment werd een succes.

 

1903-boddaert-thee-drinken-groep

 

Boddaert landelijk

Pas eind jaren zestig werden de Boddaerthuizen in bredere kring ontdekt. Dat leidde tot oprichting van de landelijke stichting dagtehuizen voor schoolgaande jeugd. Pleeggezinnen werden een alternatief voor de traditionele internaatsopvoeding. Maar noch in de internaten, noch wanneer kinderen in een pleeggezin woonden werd nauw met ouders samen gewerkt. Dagtehuizen vormden een mooie voorziening wanneer ambulante hulp onvoldoende was en uithuisplaatsing werd overwogen. Dat leidde in de jaren zeventig tot een flinke uitbreiding van de Boddaerthuizen.

 

Vernieuwing

De opzet van de tehuizen bleef lange tijd ongewijzigd. Vanaf de jaren tachtig ging men meer gedenken in termen van behandeling. Spel- , muziek- en dramatherapeuten werden aangetrokken en ook de samenwerking met de GGZ bloeide op.
Van oorsprong waren de Boddaerthuizen altijd al gezinsgericht geweest, maar het Boddaerthuis stond centraal. Een nieuwe oriëntatie was nodig: opschuiven naar de eigen leefwereld van het kind. Van centre-based naar communitybased, van medisch therapeutisch model naar supportmodel. De eigen kracht van kinderen, ouders en hun omgeving benutten en vaardigheden van kinderen trainen in de eigen omgeving.
Bij Altra werden onderwijs en jeugdzorg inhoudelijk en fysiek verbonden. De Boddaerthulp verliet haar eigen locaties en trok in op scholen. Het groepsgerichte aanbod werd maatwerk voor kind, school en gezin.

 

1903-boddaert-houtbewerking

 
 

Een jongen werd ons toevertrouwd door Pro Juventute. Zijn vader, die weduwnaar is, kon nergens meer een woning vinden, omdat de jongen zoo slecht bekend stond. Hij is tuchteloos en onhandelbaar, heeft de buien die deze soort kinderen kenmerken, maar wij hebben alle hoop hem te kunnen helpen. Zijn moeder stierf aan St. Vitusdans

 
 

Wervingsfolder Vereeniging tehuizen voor schoolgaande kinderen

Folder waarin belangstellenden geïnformeerd worden over het lot van de kinderen en het werk in de Boddaerthuizen, met de oproep lid te worden van de Vereeniging tegen een jaarlijkse contributie.

 

Jaarverslag Boddaert 1946

De presidente (Elisabeth Boddaert), secretaris en penningmeester doen verslag van het jaar 1946. De vereniging Boddaerthuizen staat er financieel slecht voor. Het jaar werd met een nadelig saldo afgesloten, zoveel zelfs dat de helft van het “ jubileum fonds tot bestrijding van tekorten” verloren ging.

 

De freule moest eens weten

Boekje uitgebracht bij het 75-jarig bestaan van de Boddaerthuizen. Voor de opening van het eerste Boddaerthuis in 1903 informeerde de freule persoonlijk het onderwijzend personeel van de omringende scholen over haar initiatief

 

1905

Invoering kinderwetten: ontzetting en ontheffing uit de ouderlijke macht
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1905-kinderwetten-vierkant.jpg

Invoering kinderwetten: ontzetting en ontheffing uit de ouderlijke macht

De kinderwetten van 1905 regelden dat de overheid direct kon ingrijpen in de opvoeding. Het belang van het kind werd voorop gesteld. Bij ernstige verwaarlozing of mishandeling konden ouders uit de ouderlijke macht worden ontzet of ontheven.

1905

Oprichting ongehuwde moederhuis Annette
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/04/1905-Tehuis-Annette-4kant.jpg

Oprichting ongehuwde moederhuis Annette

Dat er hulp is voor ongehuwde moeders en hun kinderen is niet vanzelfsprekend. Lange tijd moesten ongehuwde moeders “de last van hun zonde” zelf dragen. Als dat de moeder niet lukte werd haar kind in een armenweeshuis, bij familie of in – soms dubieuze - pleeggezinnen onder gebracht. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond langzaam meer oog voor maatschappelijke problemen. Christelijk geloof werd gekoppeld aan het bieden van hulp: armenzorg, strijd tegen alcoholisme, hulp aan verwaarloosde jeugd, prostituees en zwakzinnigen. Prostituees en ongehuwde moeders werden gezamenlijk opgevangen; want beiden werden gezien als “gevallen vrouwen” die boete moesten doen voor hun zonde. In Amsterdam werden eind negentiende eeuw twee tehuizen voor ongehuwde moeders opgericht: de Rooms-katholieke Hubertusvereeniging en het protestants-christelijke Beth Palet.

Dat vrouwen boete moesten doen voor hun onzedelijk gedrag en mannen niets werd kwalijk genomen was onverteerbaar voor feministen van het eerste uur, waaronder Annette Versluys-Poelman. Zij streden tegen die dubbele seksuele moraal en eisten gelijke rechten voor buitenechtelijke kinderen. In het Burgerlijk Wetboek stond in die tijd nl. dat het onwettige, niet erkende kind moest worden beschouwd als een vondeling voor wie niemand verantwoordelijk was. Naast politieke druk wilden deze feministen ook praktische steun bieden. In 1905 openden zij tehuis Annette; een huis waar ongehuwde moeders geen boete hoefden doen.
De hulp aan ongehuwde moeders bewoog steeds met de tijdgeest mee. Het afstand doen van de baby was tot begin jaren vijftig ongewenst. Christenen vonden dat vrouwen de consequenties van hun zonde zelf moesten dragen. En niet-christenen waren tegen afstand doen vanuit de natuurlijke band tussen moeder en kind.
Daarna verminderde de invloed vanuit het geloof en groeide en kwam de wetenschap op. Ongehuwd moederschap werd niet zozeer meer gezien als schandelijk, maar wel als schadelijk voor het kind. Psychologen en psychiaters deden hun intrede en onderzochten vanuit hun deskundigheid of een ongehuwde moeder voor haar kind kon zorgen.
Vanaf half jaren vijftig ontstond een sterke politieke lobby om juist afstand te doen.

 

Zou de baby bij een net getrouwd stel dat zat te smachten naar een kind niet veel beter af zijn?
Het kind houden werd ondenkbaar: niemand wilde een vrouw die een kind had of een kind had gehad. Afstand doen werd de standaard. In die periode tot eind jaren zeventig hebben in Nederland zo’n 25.000 ongehuwde moeders hun baby afgestaan. (in de rechterkantlijn verwijzing naar www.canon sociaalwerk.eu/nl_mo Venster 1930 FIOM) De tehuizen voor ongehuwde moeders hadden zich altijd sterk gemaakt voor het bij elkaar houden van moeder en kind, maar door de grote politieke druk, de vraag naar baby’s vanuit kinderloze echtparen en omdat een deel van de ongehuwde moeders zelf afstand wilde doen, ontstond een situatie die de hulpverleners in de tehuizen dan maar liever zelf in goede banen wilde leiden. Wat het afstand doen emotioneel betekende voor moeder en kind werd pas jaren later duidelijk.

 

In de jaren zestig kwam er vanuit de sociologie kritiek op die pathologische kijk op ongehuwd moederschap; ongehuwd moederschap was problematisch omdat de maatschappij het niet accepteerde. Ook vanuit de opkomende tweede feministische golf was er kritiek: professionele hulpverlening was betuttelend. Opvang van vrouwen moest geen zaak zijn van deskundigen die weten wat goed voor je is. Vrouwen waren in staat zichzelf en elkaar te helpen en eigen beslissingen te nemen. Vanuit die gedachte werden de Blijf-van-mijn-Lijfhuizen opgericht . (in de rechterkantlijn verwijzing naar www.canon sociaalwerk.eu/nl_mo Venster 1930 FIOM). Wat eerde ondenkbaar was, werd nu een fenomeen: de BOM-moeder (vrouwen die bewust voor ongehuwd moederschap kozen).

 

Door de anticonceptiepil en de legalisering van abortus nam het aantal ongewenste zwangerschappen vanaf 1970 sterk af . Toch bleef de behoefte aan hulp groot, alleen de doelgroep veranderde. De groep alleenstaande gescheiden moeders groeide sterk, mishandelde vrouwen en hun kinderen hadden crisisopvang nodig, verslaafde moeders en hun kinderen waren een bron van zorg en uit Suriname en de Antillen afkomstige alleenstaande jonge moeders hadden in Nederland zonder hun familie behoefte aan hulp.

 

Een deel van de tehuizen voor ongehuwde moeders ging verder als vrouwenopvangvoorziening, later maatschappelijke opvang. De drie Amsterdamse tehuizen, inmiddels gefuseerd tot Afra, werden een jeugdzorgvoorziening en bleven zich specifiek richten op opvang van tiener- en jonge moeders, op dag-/nachthulp voor kinderen van alleenstaande ouders (totaalcrèche, later daghulp voor 0-4 jarigen) en 24 uurs crisisopvang voor jonge kinderen.
Opnieuw onder invloed van de tijdgeest en wetenschappelijke inzichten is de residentiële opvang van jonge moeders en jonge kinderen in tehuizen afgebouwd. Jonge moeders en hun kinderen worden nu op een kleinschalige, huiselijke manier geholpen in gezinshuizen. Andere jonge moeders krijgen hulp binnen hun netwerk of worden ambulant geholpen op hun weg naar zelfstandigheid.

 

Zielzorg voor ongehuwde moeders

Dit boekje is in 1949 uitgegeven door de Hubertusvereniging. Het geeft advies over de houding die priesters moeten aannemen als een ongehuwde moeder zich tot hen wendt voor raad en hulp. Er wordt benadrukt dat het de heilige plicht van de moeder is zelf voor haar kind te zorgen en geen afstand van haar kind te doen.
Quotes:
Als motief voor het afstand willen doen van haar baby geeft het meisje vaak op: de schande. En ook voor de parochie is “zulk een geval een oneer.”
De daad was verkeerd maar goede katholieken dragen hun kruis en ontvluchten het nooit. Er is slechts een weg; de rechte.

 

Hubertus 60 jaar
Dit boekje werd uitgegeven bij het zestig jarig bestaan van tehuis Hubertus (1898-1958). Het blikt terug op het historisch verloop van de hulp aan ongehuwde moeders. Bij de start werden zowel bedreigde meisjes als ongehuwde moeders opgenomen. Voor beide groepen bestond een aparte kas: de Marthakas en de Magdalenakas.

 

“Op 2 augustus 1926 trokken we met ons armelijk boeltje (het liefst waren we ’s nachts verhuisd) naar een groot huis: Plantage Middenlaan 27.”
“Het hele bezit van de vereniging bestond uit Fl. 200,- in een ouderwetse grote knipbeurs”

 

Informatiebrochure Beth Palet
De ze brochure, verschijningsdatum onbekend, geeft een beeld van het goede werk van Beth Palet en eindigt met de woorden dat de lezer ook iets aan deze meisjes en haar kinderen kan geven: “geldelijke gaven, liefdevolle gedachten en gebeden.”
Zodra het kindje geboren is, krijgt dit een plaatsje op de keurig ingerichte babyzaal, geheel wit gehouden met hier en daar een fijn oranje lijntje. Hier zwaait een gediplomeerde zuster de scepter. En de moeder leert hier hoe zij haar kindje verzorgen moet.

 

Gevallen & opstaan
Gedenkboekje uitgegeven bij het 100 jarig bestaan van Beth Palet (1885-1985). De hulp ontwikkelde zich van liefdadige ondersteuning naar hulp en begeleiding. De doelgroep van ongehuwde moeder naar alleenstaande ouder en verslaafde moeders en hun kinderen. Veel veranderde maar Beth Palet bleef huis van toevlucht.
“door volharding kwam ook de slak in de ark”

 
 

1908

Geboorte Wilhelmina Bladergroen
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1908-wilhelmina-bladergroen-vierkant.jpg

Geboorte Wilhelmina Bladergroen

Wilhelmina Bladergroen begon in 1941 in haar eigen appartement een eerste “LOM-klasje”. Haar ideeën over kinderen met schoolproblemen bij een normale intelligentie vormden de basis van het latere PPI.

Wie was zij?

Wilhelmina Bladergroen volgde na het gymnasium de MO-opleiding lichamelijke opvoeding. In 1930 slaagde zij voor haar akte en werd gymlerares op een aantal gemeentelijke scholen in Amsterdamse volksbuurten. Naast haar werk als docente werd zij actief op het terrein van het jeugdwerk. Zij was o.a. betrokken bij de oprichting van het Christelijk Vrijzinnig Jeugdwerk , een opvang voor jonge werklozen en gaf les aan de Amsterdamse school voor maatschappelijk werk. In haar werk kwam zij met veel sociale problemen in aanraking wat een sterke maatschappelijke betrokkenheid in haar wakker riep.

1908-Wilhelmina-Bladergroen-2

 

Ik zie het als mijn opdracht, de orthopedagogiek niet te laten droogzwemmen in theoretische postulaten.

 

 
 

Wat dreef haar?

Haar belangstelling voor jeugdproblematiek bracht haar ertoe, als een van de eerste vrouwen in deze richting, alsnog een universitaire studie psychologie te gaan volgen. In 1940 haalde zij haar doctoraalexamen. Een baan bij het ministerie voor onderwijs, kunst en wetenschappen ging niet door omdat zij weigerde zich eerst bij te laten scholen in Duitsland. Zij betrok in Amsterdam een vierkamer appartement en vestigde zich er als zelfstandig kinderpsychologisch-pedagogisch adviseur.

 
 

Wat waren haar ideeën?

Wilhelmina Bladergroen kreeg in haar praktijk kinderen die ondanks een normale intelligentie vastliepen op school. Bladergroen wilde door de motorische ontwikkeling te stimuleren, de cognitieve ontwikkeling op gang brengen.
In 1941 begon zij in haar eigen appartement een klasje met enkele kinderen die les kregen van een onderwijzeres en die door haar werden begeleid bij hun leermoeilijkheden. Zij deed dit volledig op eigen kosten omdat zij geen subsidie van de bezettingsautoriteiten wilde ontvangen. De toeloop uit het hele land werd in 1943 zo groot dat zij ook een internaat met een praktijkonderzoeksruimte inrichtte en een apart gebouw huurde als onderkomen voor een school, bestemd voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden.
De financiering van haar ideeën vormde een groot probleem. In augustus 1945 leek voor de financiële nood een oplossing nabij door de stichting Pedagogisch Psychologisch Instituut op te richten. Hierin bracht zij haar onderzoekspraktijk, de LOM-school en het internaat in onder. Maar uiteindelijk wilde de gemeente Amsterdam het PPI niet financieren en richtte zelf een instituut op: het Gemeentelijk Pedologisch Instituut

Na de Tweede Wereldoorlog werd zij steeds vaker om advies en hulp gevraagd op het gebied van de orthopedagogiek. Zij werd achtereenvolgens aan de Universiteit van Groningen benoemd tot lector en hoogleraar in de opvoedkunde van het afwijkende kind. Zij streefde er steeds naar theorie en praktijk te integreren: “ik zie het als mijn opdracht de orthopedagogiek niet te laten droogzwemmen in theoretische postulaten.”
Critici vonden echter dat haar ideeën onvoldoende wetenschappelijk waren onderbouwd. Een van de professoren door wie zij was opgeleid, brak met haar waardoor zij niet bij hem kon promoveren. Zij raakte steeds mee omstreden als persoon en in haar beroepsmatige ideeën. Maar strijdlustig als zij was, ging zij ook nadat zij in ’78 met emeritaat was gegaan, door “met het bestrijden van misstanden en het opheffen van weerstanden dienaangaande.”

Ondanks de kritiek staat buiten kijf dat zij pionierswerk heeft verricht voor kinderen met leer- en opvoedingsproblemen. Voor hen ontwikkelde zij didactische en therapeutische methoden en stichtte zij scholen en instituten. Zij was grondlegster van de universitaire orthopedagogiek en wegbereidster van het LOM-onderwijs in Nederland.

 
 
 
 

1920

Wet buitengewoon lager onderwijs
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1920-wet-buitengewoon-lager-onderwijs-vierkant.jpg

Wet buitengewoon lager onderwijs

In de overvolle klassen vielen na invoering van de leerplichtwet vooral de kinderen op die door een cognitieve beperking niet mee konden komen. Tot 1920 waren speciale scholen particulier initiatief. In 1920 werd de wet buitengewoon lager onderwijs ingevoerd, die subsidie voor onderwijs aan zwakzinnigen regelde. Daarna kwamen steeds meer typen speciaal onderwijs onder de wet: doven, blinden, lichamelijk beperkten. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog stagneerde de verdere ontwikkeling van het speciaal onderwijs.

1940

1940

Begin Tweede Wereldoorlog
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1940-tweede-wereld-oorlog-vierkant.jpg

Begin Tweede Wereldoorlog

Waar soldaten komen, worden kinderen verwekt. Naar schatting 120.000 Nederlandse vrouwen hadden contact met Duitse soldaten in WO 2. Zij werden moffenmeiden of moffenhoeren genoemd en na de bevrijding uitgejoeld, publiekelijk kaalgeschoren en met pek en menie besmeerd.

1940 tweede wereld oorlog

 

Kind van de vijand

Aflevering van VPRO’s Andere Tijden over de duizenden kinderen die tijdens de bezetting door Duiste militairen werden verwekt. Over hun afkiomst werd later niet of nauwelijks gesproken.

 

1941

Eerste LOM-klasje
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1941-eerste-LOM-klasje-vierkant.jpg

Eerste LOM-klasje

In 1941 begon Wilhelmina Bladergroen in haar eigen appartement in Amsterdam een klasje voor kinderen die ondanks een normale intelligentie vastliepen op school. Dit klasje was de voorloper van het latere LOM-onderwijs (onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden).

1941-eerste-LOM-klasje

 
 

1943

Oprichting internaat en school, van Eeghenstraat 183
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1943-oprichting-internaat-en-school-Van-Eeghenstraat-vierkant.jpg

Oprichting internaat en school, van Eeghenstraat 183

De toeloop naar het eerste LOM-klasje was groot. Uit het hele land werden leerlingen aangemeld. In 1943 huurde Wilhelmina Bladergroen er een apart gebouw in de Van Eeghenstraat bij. Hier vestigde zij haar onderzoekspraktijk en een school en internaat voor langduriger observatie.

1941-1943-1945-PPI-4 1943-oprichting-internaat-en-school-Van-Eeghenstraat

 
 

1945

Oprichting PPI
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1945-ppi-4kant.jpg

Oprichting PPI

Door de Tweede Wereldoorlog was de uitbreiding van het buitengewoon onderwijs gestokt. Wilhelmina Bladergroen had echter op eigen initiatief inmiddels twee scholen geopend voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden. Financiering was er echter niet. In 1945 bracht zij haar initiatieven onder in het Psychologisch Pedagogisch Instituut. Daarmee kwam er rijkssubsidie voor haar onderwijsactiviteiten.

1945 – Psychologisch Paedagogisch Instituut

In de overvolle klassen rond 1900, vielen vooral de kinderen op die door beperkte verstandelijke vermogens het klassikale onderwijs niet goed konden volgen. Voor deze “ achterlijke” kinderen werden rond de eeuwwisseling, vanuit particulier initiatief, scholen opgericht.
In 1920 trad een nieuwe onderwijswet, met bijbehorende subsidiëring, in werking. Het buitengewoon onderwijs betrof in eerste instantie alleen het zwakzinnigenonderwijs. In 1923 volgde uitbreiding met scholen voor doomstomme, blinden en slechthorende kinderen. En in 1930 met lichamelijk gebrekkige kinderen en scholen voor “zedelijk” gebrekkigen, de “psychopaatjes”. De ontwikkeling van het buitengewone onderwijs stokte door het uitbreken van de Tweede Wereld oorlog.

 

De Amsterdamse psychologe Wilhelmina Bladergroen merkte dat er eigenlijk geen passend onderwijs bestond voor kinderen die ondanks een normale intelligentie toch leermoeilijkheden hadden. In 1941 startte zij een psychologische adviespraktijk en richtte in haar eigen appartement een eerste dagklasje op voor 8 jongens. Zij huurde een onderwijzeres in voor het geven van onderwijs en gaf zelf individuele begeleiding bij de leermoeilijkheden van de jongens (de eerste vorm van remedial teaching).
Bladergroen had geen toestemming voor haar onderwijs gevraagd; zij overtrad dus de wet. Twee onderwijsinspecteurs die haar klasje tijdens de oorlog, in 1942, bezochten, adviseerden haar subsidie aan te vragen bij de Duitse overheid. Maar Bladergroen weigerde dat pertinent. Volgens Bladergroen zelf deed het de inspecteurs goed dat te horen en verklaarden zij namens de Nederlandse regering in Engeland het klasje tot eerste LOM (leer- en opvoedingsmoeilijkheden)-school van Nederland. Na de oorlog zou erop terug gekomen worden. Later is dit verhaal in twijfel getrokken. Onderwijsinspecteurs waren niet bevoegd om namens de regering toezeggingen te doen.

 

Maar erkend of niet, haar begeleiding voorzag in een behoefte en ondanks de oorlog was de toeloop van leerlingen met leermoeilijkheden vanuit het hele land zo groot dat zij in 1943 een apart gebouw moest huren. Zij vestigde daar haar onderzoekspraktijk, een school en internaat voor langduriger observatie. Voor iedere leerling werd na psychodiagnostisch onderzoek een onderwijsprogramma op maat gemaakt en werden leer- en hulpmiddelen ontwikkeld. Onder de nieuwe medewerkers die zij aantrok was ook de psychologiestudent en later spraakmakende dichter Jan Hanlo. In 1944 opende zij een tweede school in de Banstraat.

 

Tijdens de oorlog heeft Bladergroen vanwege het verbergen van mensen die aan deportatie probeerden te ontkomen zelf een aantal maanden in kamp Vught opgesloten gezeten. Bij terugkomst in Amsterdam trof zij haar instituut diep in de schulden en desorganisatie aan. Zij probeert een oplossing te zoeken en brengt haar werkzaamheden in augustus 1945 onder in de stichting Psychologisch Paedagogisch Instituut Amsterdam. Het lukte voor de school rijkssubsidie te krijgen van het ministerie van Onderwijs. Maar die dekte het totaal van kosten bij lange na niet. Het was zeer gewenst dat het PPI-A overgenomen zou worden door de gemeente Amsterdam.
Vanuit de gemeente was er wel oren naar het idee kinderen preventief te helpen om te voorkomen dat zij a-sociaal en anti-sociaal gedrag zouden gaan vertonen. Maar het PPI-A had veel schulden en Bladergroen was controversieel. Het bleek aantrekkelijker het PPI-A failliet te laten gaan en de rijkssubsidie over te laten gaan naar een nieuwe school: de Van Detschool. Later ingebed in het Gemeentelijk Pedologsich Instituut.

 

Het PPI-A werd uiteindelijk niet geliquideerd, maar ging in afgeslankte vorm verder. Bladergroen was zeer teleurgesteld dat de gemeente Amsterdam niet voor het PPI-A had gekozen, maar zette haar werk voort. En met succes. Het leerlingenaantal van het PPI-A bleef ondanks de nieuwe Van Detschool constant, het aantal psychodiagnostische aanmeldingen groeide en ook het aantal interne leerlingen nam toe. Ook werd gestart met het begeleiden van leerlingen op andere scholen, de zogenaamde buitenbehandeling.

 

In 1947 trekt Bladergroen een maatschappelijk werkster aan, dochter van onderwijsvernieuwer Kees Boeke, om contacten met ouders te onderhouden. Later volgden ook een kinderarts en kinderpsychiater omdat Bladergroen een sterk voorstander was van de psycho-biologische benadering. Ze kwam daarbij flink in aanvaring met de in die tijd populaire psycho-analytische benadering. Haar eerste klasje was uitgegroeid tot een voorziening voor kin deren met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en kreeg in 1947 erkenning als eerste LOM-school; de Ruimte genoemd.

 

In 1949 kwam er wettelijke basis voor een aantal nieuwe typen buitengewoononderwijs waaronder LOM. Dit betekende dat het LOM-onderwijs vanaf 1/1/1950 ook structureel gesubsidieerd werd. Het aantal leerlingen binnen het LOM-onderwijs begon vervolgens explosief te groeien. Het bood een mogelijkheid voor leerlingen met wie reguliere scholen geen raad wisten maar die niet op een andere vorm van speciaal onderwijs thuis hoorden.

 

Bladergroen werd in 1949 lector in Groningen, maar bleef deels nog verbonden aan het PPI-A. In 1961 krijgt het PPI-A de Visser-Neerlandiaprijs voor baanbrekend werk. In 1967 wordt het buitengewoon onderwijs wettelijk uitgebreid met Voortgezet Onderwijs. Naast de Ruimte wordt de Werkruimte opgericht als school voor Voortgezet Speciaal Onderwijs (later Altra College).

In de loop van 1968 komt er vanuit de medewerkers steeds meer verzet tegen de centrale positie van Bladergroen als stichtster en haar methoden. Zij is markant, maar ook te machtig en duldt geen enkele tegenspraak. 28 medewerkers zegden het vertrouwen op en zeven namen ontslag. In de pers wordt e.e.a. breed uitgemeten. Na een bemiddelingstraject wordt de positie van Bladergroen terug gebracht tot bestuurslid voor het leven. Een jaar later neemt zij diep teleurgesteld volledig afstand van het PPI-A.

Het PPI groeit steeds verder uit. Er wordt preventieve hulp, ambulante hulp, daghulp en onderwijs geboden aan kinderen en jongeren die door een combinatie van gedragsproblemen en school-/leerproblematiek maatschappelijk dreigen uit te vallen. Jaarlijks kregen meer dan 1000 jongeren hulp en onderwijs via het PPI.

 

In 1999 fuseerden AfraBoddaert en PPI. Door deze fusie werd de verbinding tussen jeugdhulp en onderwijs versterkt en werden nieuwe programma’s op het snijvlak van jeugdhulp en onderwijs ontwikkeld. Er kwamen onderwijshulpverleners binnen de scholen, het programma Switch voor leerlingen die moeite hebben met hun eerste jaar in het Voortgezet Onderwijs, time-outgroepen, voor leerlingen die binnen de klas niet meer te handhaven waren en Transferia voor leerlingen die (dreigden) uit te vallen op school. Jeugdhulp medewerkers en docenten werken binnen deze vormen van hulp en onderwijs nauw samen.

 

 

 

In 2003 werd, samen met het academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie de Bascule, gestart met onderwijs en zorg voor 14 leerlingen met een stoornis in het autistisch spectrum op HAVO/VWO niveau: Bascule extern Tot 2003 was er voor leerlingen met ernstige gedragsproblemen of psychiatrische problemen alleen onderwijs op VMBO-niveau. Het bleek in een grote behoefte te voorzien. Vier jaar later was het leerlingaantal op deze bijzondere school (nu Altra Bleichrodt) al meer dan vertienvoudigd.

 

Met het programma School2Care heeft Altra samen met andere partijen een belangrijk alternatief ontwikkeld (vanaf 2008) voor het plaatsen van jongeren in internaten. Jongeren die thuis en op school niet meer te handhaven zijn en die op het criminele pad (dreigen te) raken komen van 8.00 tot 20.00 naar School2Care voor een combinatie van zorg en onderwijs.

 
 
 

1945

Einde Tweede Wereldoorlog
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1945-einde-tweede-werled-oorlog-vierkant.jpg

Einde Tweede Wereldoorlog

Na de bevrijding ontstonden spontane straatfeesten. Er werd gedanst, gelachen en gevreeën. Ca. 8000 kinderen werden geboren uit deze relaties.
Tegen meisjes die zwanger waren van een Canadese soldaat werd vaak gezegd: gelukkig is het een kind van de bevrijder en niet van de bezetter. Maar de ongehuwde moeders hadden hooguit een foto met een naam van de vader .

1945 einde tweede werled oorlog

 
 

1964

Anticonceptiepil beschikbaar
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1964-anticonceptiepil-vierkant.jpg

Anticonceptiepil beschikbaar

Het op de markt brengen van de anticonceptiepil lag gevoelig. Nederland was nog sterk religieus en vanuit de kerk werd geboortebeperking niet getolereerd. Fabrikant Organon kwam met bisschop Bekkers overeen het middel op de markt te brengen onder het mom van een medicijn tegen een onregelmatige cyclus.
De anticonceptiepil zorgde voor een sterke daling van het aantal ongewenste zwangerschappen. In 1976 gebruikte 41 % van de Nederlandse vrouwen de pil.

1965

Invoering Bijstandswet
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1965-onvoering-bijstandswet-vierkant.jpg

Invoering Bijstandswet

Door invoering van de Bijstandswet werd armenzorg een verantwoordelijkheid van de overheid ipv liefdadigheid vanuit de kerk en particulieren. Het aantal echtscheidingen steeg vervolgens fors, doordat de bijstand voor een financieel bestaansminimum zorgde wanneer een vrouw bij haar man wegging.
 
 

1968

Opening ‘t Schiphuys
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1968-opening-t-schiphuys-vierkant.jpg

Opening ‘t Schiphuys

Door verlenging van de leerplichtige leeftijd tot 16 jaar bleven kinderen tot latere leeftijd op de Boddaerthuizen. Voor de oudere jongens bleek een andere aanpak nodig en een ruimte waar zij niemand tot last waren. De Vereeniging Boddaerthuizen koopt om die reden in 1968 de woonboot ’t Schiphuys.

Koers kiezen

Door verlenging van de leerplicht tot 16 jaar bleven kinderen tot latere leeftijd in de Boddaerthuizen. “Het plaatsen van oudere meisjes gaf geen bijzondere moeilijkheden. Deze meisjes konden behulpzaam zijn bij het begeleiden van jongere kinderen of assisteren in de huishouding.” Voor de oudere jongens bleek een andere aanpak nodig dan in de tehuizen geboden kon worden: “een ruimte waar zij niemand tot last waren, met creatieve expansiemogelijkheden.”

 

In 1968 koopt de vereniging een woonboot: ’t Schiphuys.

 

“In vorige eeuwen is kinderbescherming en heropvoeding begonnen op het water. We wisten vroeger niet veel beter te doen dan jongens die moeilijk waren op de Koopvaardij te zetten.”

 

In de openingsrede op 9-02-1968 zegt prof. Dr. J. Koekenbakker:

“In vorige eeuwen is kinderbescherming en heropvoeding begonnen op het water. We wisten vroeger niet veel beter te doen dan jongens die moeilijk waren op de Koopvaardij te zetten of via de Koopvaardij naar Indonesië weg te werken en zo onze overmaat aan ongunstige genen elders te slijten.
Later werden moeilijke jongens op de kustvaart geplaatst. Die omgeving was wat meer aangepast aan de behoefte aan vrijheid die zij nu eenmaal hadden. Via het varen konden zij toch nog een stuk maatschappelijke aanpassing vinden.
We moeten niet proberen deze kinderen in het nette burgerlijke klimaat van onze Amsterdamse of Nederlandse samenleving in te passen. Er moet ook ruimte zijn voor anders geaarde karakters om wat meer het avontuur en de afwisseling te zoeken. “

 

Na twee jaar werd het experiment tot een succes verklaard en wordt ’t Schiphuys een van de vaste Boddaertlocaties in Amsterdam.

 

1968 opening 't schiphuys

 
 

1975

1977

BOM-moeders organiseren zich
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1977-BOM-moeders-vierkant1.jpg

BOM-moeders organiseren zich

In de jaren zeventig/tachtig ontstond een groep vrouwen die bewust niet trouwden en hun kinderen alleen opvoedden: de BOM-moeders. Zij verzetten zich tegen het instituut huwelijk waarin vrouwen hun onafhankelijkheid kwijt raakten en waren tegen de traditionele taakverdeling tussen man en vrouw.
Anders dan de ongehuwde moeders waar schuld en schaamte een grote rol speelden, waren de BOM-moeders trots op hun status en droegen die met nadruk uit.

jan-jans

 
 

1978

Start bouw Hubertushuis
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1978-nieuwbouw-Hubertushuis-vierkant.jpg

Start bouw Hubertushuis

In 1978 werd gestart met nieuwbouw van het Hubertushuis aan de Plantage Middenlaan. Architect Aldo van Eyck wilde afwijken van de traditionele bouw van instituten en ontwierp een transparant en kleurig gebouw met veel ruimte voor ontmoeting in plaats van beheersing.

Ik kies geen kleuren, mijn lievelingskleur is de regenboog

 

Het Hubertushuis (gebouwd 1978 – 1981), ontworpen door van Aldo van Eyck, wordt in de overzichten van de Nederlandse architectuur als een van de belangrijkste na-oorlogse bouwwerken beschouwd.

 

Het ontwerp van van Eyck bestaat deels uit de verbouwing van twee negentiende eeuwse panden (Plantage Middenlaan nr. 33 en 35) en deels uit nieuwbouw op de plek van de voormalig synagoge Talmud Thora (Plantage Middenlaan, voormalig nr. 31). Van Eyck had een uitgesproken opvatting over het nieuw te bouwen deel. Het gat tussen de bestaande panden moest niet opgevuld worden met venstermaten, dakvorm en materiaalkeuze van nabije panden die worden gemengd tot een onbestemde architectonische plamuur waarmee het gat wordt dichtgesmeerd. Van Eyck wilde met zijn ontwerp juist het contrast tussen nieuwbouw en de naastgelegen panden benadrukken. Het nieuw gebouwde deel onderscheidt zich door de regenboogkleuren en grote raamvlakken dan ook sterk van de gepleisterde gevels van de twee oudere panden.

 

Het Hubertushuis is gebouwd in opdracht van de Hubertusvereniging. Van Eyck kreeg de opdracht om zijn bekwaamheid, maar ook vanwege zijn bereidheid het gebouw te ontwikkelen in samenspraak met medewerkers en cliënten. Van Eyck zag Hubertus als een zich transformerende instelling. Eind negentiende eeuwse traditionele instituten waren gebouwd vanuit een beheersingsgedachte en sterk gericht op hygiëne, moraliteit en productiviteit. Individuen werden geïsoleerd en centraal controleerbaar gerangschikt.
Beheersing en bevoogding werden in de jaren zestig/zeventig van de 20e eeuw losgelaten en maakten plaats gelijkwaardigheid, zeggenschap en transparantie. De nieuwbouw en verbouw van de oude panden boden de kans de opzet van het gebouw in overeenstemming te brengen met de nieuwe ideeën over begeleiding van de moeders. De theorie van Carl Rogers over “client-centered therapy” vormde een belangrijk uitgangspunt. Onderdeel van de nieuwe visie was dat de vroegere hiërarchische structuur in de relatie tussen begeleider en cliënt en tussen personeelsleden onderling werd losgelaten. Voor het gebouw betekende dat, dat in de opzet naar een grotere openheid gestreefd werd met veel ruimte voor ontmoetingen. Niet de afzonderlijke kamers, maar juist de tussenruimten stonden centraal.
Concreet kwam het programma van eisen neer op het huisvesten van 89 personen: 16 moeders, 15 baby’s, 50 kinderen tussen de 1,5 en 6 jaar en 8 kinderen tussen de 6 en 12 jaar. Daarnaast moest het huis een werkplek bieden aan 65 stafleden.

 

De ingang van het Hubertushuis ligt op de scheiding tussen het oude en het nieuwe deel. Bezoekers worden via een moderne versie van een zeventiende eeuwse stoep van het nieuwe in het oude gedeelte geleid waar zich de centrale hal bevindt. Alleen op de beletage liggen de verdiepingen op gelijke hoogte, daarboven vertonen oud- en nieuwbouw verspringingen zoals dat in 19e eeuwse panden gebruikelijk is. Door middel van loggia’s en erkers aan de voor- en achterkant neemt de nieuwbouw naar boven in diepte af, en komt het daglicht dieper het gebouw binnen. De grote aandacht die van Eyck aan tussenruimtes besteedde laat zien dat hij niet zozeer de functies op zich maar de relaties tussen activiteiten onderling vorm wilde geven. De regenboogkleuren benadrukken de transparantie van de vele met glas vormgegeven scheidingen en markeren de identiteit van de ruimtes ten opzichte van elkaar.
Op de speelse vormen en de veelkleurigheid van het gebouw kwam ook kritiek: het frivole uiterlijk van het moederhuis zou de ongehuwde moeders stigmatiseren.

 

Naast het Hubertushuis ontwiep van Eyck als architect van de Dienst Publieke Werken in Amsterdam tussen 1947 en 1978 735 kinderspeelplaatsen. Zijn eerste grote werk was het Burgerweeshuis (1955-1960) in Amsterdam.

 
 

Het artikel “plaats voor wederkerigheid, het moederhuis/ Aldo van Eyck” is een architectonische analyse en waardering van Van Eyck’s werk. Het artikel verscheen in het tijdschrift wonen-TA/BK, mei 1980. In het artikel zijn kleurenfoto’s en plattegronden opgenomen van het ex- en interieur van het Hubertushuis.

 

1984

Legalisering abortus
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1984-legalisering-abortus-vierkant.jpg

Legalisering abortus

De feministische actiegroep Dolle Mina streed voor legalisering van abortus met leuzen als “Baas in eigen buik”en “Vrouw Beslis”.
De legalisering van abortus zorgde voor een aanzienlijke vermindering van het aantal ongewenst zwangerschappen, ook onder tienermoeders.

1992

Start van het Weer Samen naar School-beleid
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1992-start-weer-samen-naar-school-vierkant.jpg

Start van het Weer Samen naar School-beleid

Het aantal kinderen dat speciaal onderwijs volgde was sinds het ontstaan steeds verder toegenomen. De vraag kwam op of het wel goed was kinderen af te zonderen in aparte scholen. Bovendien was het speciaal onderwijs erg kostbaar. Het Weer Samen naar School-beleid moest het tij keren.

1992

De ongehuwde moederhuizen Hubertus en Annette gaan op in Afra (Algemene FIOM hulpverlening Regio Amsterdam)
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1992_AFRA_tijdlijnbeeld.jpg

De ongehuwde moederhuizen Hubertus en Annette gaan op in Afra (Algemene FIOM hulpverlening Regio Amsterdam)

Door het vervagen van grenzen tussen verschillende levensbeschouwingen, de eis vanuit de overheid subsidiegelden efficiënt te besteden en behoefte aan verdergaande professionalisering werden beide tehuizen samengevoegd.

1993

Ongehuwde moederhuis Beth Palet sluit zich aan bij Afra
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1993_bethPalet_afra.jpg

Ongehuwde moederhuis Beth Palet sluit zich aan bij Afra

Door het vervagen van grenzen tussen verschillende levensbeschouwingen, de eis vanuit de overheid subsidiegelden efficiënt te besteden en behoefte aan verdergaande professionalisering werden tehuizen samengevoegd.

1995

Fusie Afra-Boddaert
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1995_tijdlijn.jpg

Fusie Afra-Boddaert

1999

Fusie Afra-Boddaert-PPI
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/1999_Tijdlijn.jpg

Fusie Afra-Boddaert-PPI


2000

2001

Start ambulante begeleiding PPI
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2001_tijdlijn.jpg

Start ambulante begeleiding PPI

Twee jaar voor de invoering van het “rugzakje” werd vanuit PPI al ambulante begeleiding gegeven aan leerlingen die na een periode speciaal onderwijs terug keerden naar het regulier onderwijs.
In 2003 kon ambulante hulp ook gegeven worden aan leerlingen die door ernstige gedrags- of psychiatrische problemen extra hulp nodig hadden om aan het regulier onderwijs te kunnen blijven deelnemen.

2003

Invoering leerling gebonden budget (het rugzakje)
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2003-invoering-rugzakje-vierkant1.jpg

Invoering leerling gebonden budget (het rugzakje)

Door de wet Leerling Gebonden Financiering konden ouders van een kind met een beperking voortaan kiezen of zij hun kind naar een reguliere school wilde laten gaan met leerling gebonden financiering (rugzakje) of naar het speciaal onderwijs. Uit het rugzakje kon extra begeleiding voor het kind op school gefinancierd worden.

2004

Naamswijziging AfraBoddaertPPI naar Altra
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2004_Tijdlijn.jpg

Naamswijziging AfraBoddaertPPI naar Altra

Door de fusies was de naam AfraBoddaertPPI erg lang geworden. Als nieuwe naam werd Altra gekozen.

2008

Start ontwikkeling concept School2Care
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2008_tijdlijn.jpg

Start ontwikkeling concept School2Care

Met School2Care ontwikkelde Altra, samen met Esprit-scholen, Spirit en het Samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs een alternatief voor het plaatsen van jongeren die niet meer naar school gaan in internaten. Jongeren die thuis en op school niet meer te handhaven zijn en die op het criminele pad (dreigen te) raken komen van 8.00 tot 20.00 naar School2Care.

School2Care biedt jongeren een geïntegreerd aanbod van onderwijs, (jeugd)zorg en begeleide vrije tijdsbesteding (“wrap around care”), met als doel hen op een positieve manier te laten participeren in de reguliere maatschappij. Leerlingen blijven gemiddeld acht maanden; zo lang als nodig, maar niet langer dan nodig. Er is plaats voor 40 leerlingen. Zij starten in de instroomgroep waar uitgebreid onderzoek plaatsvindt waarna zij op basis van hun uitstroomperspectief doorstromen naar één van de drie vervolgklassen.

 

Bij School2Care wordt er gewerkt met één plan en één regisseur (de coach). Het gehele informele en formele netwerk van de leerling werkt met elkaar samen om dit te bereiken. De regisseur spreekt ieder aan op zijn verantwoordelijkheden. Het probleem van de doelgroep van School2Care is dat zij over het algemeen niet meer verschijnen op school en bij de hulpverlening. Er is dan eerst iets nodig om motivatie te kunnen ontwikkelen bij de leerlingen. Dwang en drang worden als middel ingezet om leerlingen te bewegen tot meedoen in de maatschappij. Cruciaal hierin is een extreem vasthoudende coach en een goede samenwerking met gezinsvoogden en jeugdreclasseerders, die de kaders stellen. Altijd benadert de coach de leerling op een respectvolle en positieve manier; hij ziet het gedrag van de leerling als een gebrek aan vaardigheden en blijft gericht op de sterke kanten en mogelijkheden.

 

De coach helpt de leerlingen de draad weer op te pakken. Ze volgen lessen in een kleine klas, totdat ze terug kunnen naar hun oude of een andere school. Tijdens School2Care wordt gewerkt aan de ontwikkeling van talenten, want die heeft iedereen. De coach ondersteunt ook hun ouders zodat er thuis meer rust komt. Verder stimuleert School2Care leerlingen in hun vrije tijd positieve bezigheden te vinden. Bijvoorbeeld sporten of een bijbaantje. Ook na School2Care volgt de coach, zo lang als dat nodig is, nog een tijd hoe het met ze gaat.

 

 

 

Het Lubbers kampement

Aflevering van VPRO,s Andere Tijden. Oud premier Lubbers initieerde begin jaren negentig opvoedingskampen onder leiding van militairen om criminele jongeren door middel van tucht en discipline weer op het rechte pad te krijgen.

 

 

De lange weg terug naar school, artikel over School2Care, verschenen in NRC, 14 maart 2015

Onderzoek: positief leer- en leefklimaat bij School2Care

 

 

2009

Overgang FIOM Amsterdam van Bureau Jeugdzorg naar Altra
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2009_fiom-vierkant.jpg

Overgang FIOM Amsterdam van Bureau Jeugdzorg naar Altra

Doordat Bureau Jeugdzorg zich meer ging concentreren op haar kerntaken werd besloten de gespecialiseerde zorg die FIOM bood aan o.a. jonge moeders onder te brengen bij Altra, waar van oudsher hulp aan jonge moeders werd geboden.

2014

Invoering passend onderwijs
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2014-passend-onderwijs-vierkant.jpg

Invoering passend onderwijs

Doel van de wet Passend Onderwijs is dat alle kinderen een passende onderwijsplek krijgen. Samenwerkingsverbanden van scholen zetten de middelen voor zowel lichte als zware ondersteuning flexibel in. Scholen hebben een zorgplicht.

2015

Altra in de transitie jeugdzorg
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2015_transitie_tijdlijn.jpg

Altra in de transitie jeugdzorg

Vanaf 1 januari 2015 is de gemeente verantwoordelijkheid voor het hele aanbod van zorg voor de jeugd. Veel gemeenten waar Altra jeugdhulp biedt zijn gaan werken met wijkteams, waar jeugdhulp onderdeel van is. Een groot aantal ambulant hulpverleners van Altra werkt nu vanuit de wijkteams. Vaak is de hulp vanuit de wijkteams voldoende om ouders en kinderen weer op weg te helpen. Als de problemen zwaarder zijn, biedt Altra samen met partners specialistische jeugdhulp.

Doel transitie Jeugdzorg

 

Met de verschuiving van de jeugdzorg naar gemeenten wil het kabinet dat het jeugdzorgstelsel eenvoudiger wordt. De nieuwe Jeugdwet kent 5 uitgangspunten:

  1. Preventie en uitgaan van eigen verantwoordelijkheid en eigen mogelijkheden van jeugdigen en hun ouders, met inzet van hun sociale netwerk;
  2. De-medicaliseren, ontzorgen en normaliseren door onder meer het opvoedkundig klimaat te versterken in gezinnen, wijken, scholen en in voorzieningen als kinderopvang en peuterspeelzalen;
  3. Eerder de juiste hulp op maat te bieden om jeugdigen en gezinnen zo snel mogelijk, zo dichtbij mogelijk en zo effectief mogelijk hulp te bieden met aandacht voor de (kosten)effectiviteit van de geboden hulp;
  4. Integrale hulp aan gezinnen volgens het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur;
  5. Meer ruimte voor professionals om de juiste hulp te bieden door vermindering van regeldruk.

Met de nieuwe Jeugdwet moet voorkomen worden dat ouders en jeugdigen verdwalen in het systeem. Door vermindering van regels en bureaucratie wordt integrale zorg bij meervoudige problematiek beter mogelijk.

 

 

2015

Altra nu: Hulp aan jonge moeders
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2015_moederzorg.jpg

Altra nu: Hulp aan jonge moeders

In 2014 kregen 193 vrouwen jonger dan 20 jaar in de Stadsregio Amsterdam een baby. 130 jaar na de oprichting van het eerste ongehuwde moederhuis biedt Altra nog steeds aan jonge moeders en hun baby’s.

Jonge moeders

In 2014 kregen 193 jonge vrouwen1 (jonger dan 20 jaar) in Stadsregio Amsterdam een kind. Hun leven verandert ingrijpend, er komt heel wat op de jonge moeders af. Er worden nogal wat nieuwe eisen aan je gesteld als je net moeder bent. Hoe combineer je het moederschap met school of werk? Hoe kan je je kind opvoeden terwijl je zelf nog niet zo sterk in je schoenen staat? Hoe kan je familie en vrienden om steun vragen? Hoe zorg je dat je kind kan opgroeien in een veilige omgeving? Een deel van de jonge moeders kan deze problemen prima zelfstandig met hulp uit de eigen omgeving oplossen. Altra biedt jonge moeders, die deze problemen niet zelf kunnen oplossen, begeleiding en opvang. De hulp is gericht op moeder én kind.

De jonge moeders die wij helpen hebben vaak al veel meegemaakt in hun leven. Van huiselijk geweld, seksueel misbruik, verwaarlozing tot verslaving. In de zorg en opvoeding van hun baby kunnen ze vaak niet terugvallen op een goed voorbeeld van opvoeding, omdat zij dat zelf niet hebben ervaren. Daarnaast spelen vaak nog andere problemen een belemmerende rol. Sommige jonge moeders hebben bijvoorbeeld geen veilige en vaste woon- of verblijfplaats. Een deel van de jonge moeders kampt met psychiatrische problematiek (o.a. stemmingsstoornis, gedragstoornis, post traumatisch stressstoornis) of een licht verstandelijke beperking (IQ<70). Hier komen we achter door de inzet van handelingsgerichte diagnostiek. Samen met het netwerk bekijken we welke hulp nodig is en maken we één plan om de problemen aan te pakken.

 
 

Werken aan toekomstperspectief

Altra helpt de jonge moeders en hun kinderen zoveel mogelijk in een normale gezinssituatie. We werken aan het vergroten van de sociale veerkracht, zelfstandigheid, veiligheid, opvoedings-vaardigheden en de relatie tussen moeder en kind. Verder besteden we aandacht aan dagbesteding van moeder en kind, net als het op orde houden van het huishouden, financiën en regelen van praktische zaken. Samen werken we aan een goed toekomstperspectief, voor de jonge moeders en hun kinderen.

 
 

Innovatie: van gezinshuis naar zelfstandig wonen

Altra levert al meer dan 100 jaar hulp aan jonge moeders. De afgelopen 10 jaar heeft de hulp zich ontwikkeld van hulp door een woonplek aan te bieden naar hulp bij het zelfstandig worden als persoon en als moeder. Ambulante hulp is steeds meer centraal komen te staan. Toch blijft residentiële hulp nodig voor jonge moeders of aanstaande jonge moeders voor wie het onmogelijk is gebleken binnen het eigen netwerk te wonen en die nog te jong zijn of nog onvoldoende in staat zijn zelfstandig te wonen. In 2012 is Altra begonnen met een andere residentiële formule, namelijk opvang en hulp binnen gezinsvormen. Deze vorm voor opvang bestond nog niet in Nederland. Inmiddels zijn er drie gezinshuizen actief waar negen jonge moeders met hun kind(eren) kunnen wonen. Voor de moeders waarvoor een gezinshuis niet passend is bieden we een vraaggericht aanbod .

 
 

Gezinshuizen: opvang in een normale gezinssituatie

De jonge moeders krijgen dagelijkse begeleiding en coaching van de gezinshuisouder en intensieve ambulante hulp van een hulpverlener van Altra. Het streven is dat ze daar maximaal een jaar wonen. Daarna gaan de moeders naar een kamertrainingscentra of begeleid wonen in een zelfstandige woning. Zelfstandigheid, veiligheid, hechting en een sterk eigen netwerk opbouwen staan centraal in de hulp die jonge moeders krijgen aangeboden.
De gezinshuizen zijn een alternatief voor de leefgroepen, waar per groep acht jonge moeders opgevangen werden. Dat was geen ideale situatie. Een gezinshuis biedt meer stabiliteit en rust, zodat de moeders meer energie overhouden voor het opbouwen van hun leven. We doen dit in samenwerking met Gezinshuis.com.
De uitgangspunten van het gezinshuis zijn zelforganisatie en herstel van het gewone leven. Dit houdt in dat de gezinshuisouders zorgen dat de basis in het leven van de jonge moeder op orde raakt en dat zij en haar kind normaal aan het leven kunnen deelnemen: de jonge moeder onderhoudt contact met haar familie, gaat naar school en aan het werk en voedt haar kind op. De gezinshuisouders zijn daarbij en laten haar met raad en daad zien wat ze moet doen.
Wij denken hiermee de meest optimale vorm van residentiële opvang voor deze doelgroep te hebben ingericht. We hebben grote stappen gemaakt met deze innovatieve aanpak, hier gaan we de komende jaren mee door.

 

2015

Altra nu: Jeugd- en opvoedhulp
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2015_jeugd_tijdlijn.jpg

Altra nu: Jeugd- en opvoedhulp

De meeste kinderen groeien op zonder grote problemen. Maar opvoeden en ontwikkelen gaat niet altijd vanzelf. Als er problemen zijn, blijven die meestal niet tot thuis beperkt. Dan loopt het op school, de sportclub, met vriendjes en broertjes of zusjes vaak ook niet soepel. Altra biedt hulp daar waar die nodig is en het beste werkt. Thuis, op school én in de wijk. Van baby’s tot jong volwassenen. Van ouders met lichte opvoedvragen tot crisisinterventie om uithuisplaatsing van kinderen te voorkomen. Altra staat heel veel verschillende mensen op heel veel verschillende manieren bij.

Wijkteams, dichtbij lichte hulp

Ons doel is kinderen en ouders zo te ondersteunen zodat zij zelf, met steun van hun netwerk, verder kunnen. We werken altijd vanuit de driehoek school, gezin, buurt. Ouders kunnen met kleine problemen aankloppen bij de wijkteams. Bijvoorbeeld omdat hun kind niet goed slaapt, omdat de omgang met een opgroeiende puber moeizaam gaat, omdat er thuis vaak ruzie is, of omdat een kind wordt gepest op school. Kinderen en jongeren kunnen ook zelf aankloppen bij een adviseur van een wijkteam, bijvoorbeeld als zij zich onzeker voelen. De hulpverleners luisteren, adviseren en ondersteunen de ouders en de kinderen. Als het nodig is kunnen ze ook samen met de ouders zoeken naar passende specialistische hulp.

 

Specialistische hulp, wanneer nodig

We ondersteunen ook gezinnen, kinderen en jongeren die meer intensieve of specialistische hulp nodig hebben. Samen kijken we welke ondersteuning het beste aansluit bij de vraag van de ouder en/of het kind. Specifieke kennis en expertise hebben we op de volgende gebieden:

 

  • Ernstige opvoedingsproblematiek
  • Veiligheidsrisico’s en crisissituaties
  • Huiselijk en seksueel geweld
  • (dreigend) schooluitval
  • Complexe echtscheidingsproblematiek
  • Jonge moeders
  • Jongeren met ernstige gedrags- en psychosociale problemen, en/of een lichte verstandelijke beperking

 

 

2015

Altra nu: Onderwijs/ hulp aan scholen
http://www.altracanon.nl/wp-content/uploads/2015/03/2015_tijdlijn_passend_onderwijs.jpg

Altra nu: Onderwijs/ hulp aan scholen

Naast de invoering van de nieuwe Jeugdwet is per 1 augustus 2014 ook Passend onderwijs ingevoerd. In het nieuwe stelsel Passend Onderwijs hebben scholen de verantwoordelijkheid om voor elk kind een zo goed mogelijke plek in het onderwijs te vinden. Daardoor moet het mogelijk zijn om zoveel mogelijk kinderen, binnen het reguliere onderwijs, een startkwalificatie te laten halen. Passend onderwijs betekent maatwerk bieden aan iedere leerling. Altra biedt leerlingen die het nodig hebben extra ondersteuning en begeleiding op school en thuis. Wanneer het nodig is kan Altra ook speciaal onderwijs bieden op één van onze scholen.

Begeleiding passend onderwijs

De ambulante dienst van Altra en Orion hebben hun kennis en expertise gebundeld om scholen in het voortgezet onderwijs passende ondersteuning te bieden, zodat zij hun leerlingen passend onderwijs kunnen bieden. Samen hebben we jarenlange ervaring op het gebied van de begeleiding van leerlingen met een psychiatrische stoornis, ernstige gedragsproblemen en langdurig zieke leerlingen én met het ondersteunen van docenten(teams) en scholen op dit vlak. Van klassenmanagement, intervisie, deskundigheidsbevordering tot handelingsgerichte diagnostiek. De begeleider passend onderwijs begeleidt ook leerlingen met extra (onderwijs) ondersteuningsbehoeften. Van faalangst, concentratieproblemen, studievaardigheden, beroepskeuze tot het opstellen van handelingsadviezen.

Stevige zorgstructuur in school. Leerlingen met een extra zorgvraag een eigen opvang in de school bieden, dat is het doel van passend onderwijs en dat is het streven van scholen. De trajectvoorziening kan hier uitkomst bieden. Doel van deze binnenschoolse voorziening is om leerlingen zoveel mogelijk deel te laten nemen aan de reguliere lessen. De trajectvoorziening biedt de ondersteuning die ze nodig hebben om het onderwijsleerproces zo goed mogelijk te laten verlopen. Ook leerlingen die langdurig afwezig zijn geweest krijgen hier weer aansluiting op de leerstof en de klas. Docenten van de school kunnen ook terecht voor ondersteuning, bijvoorbeeld bij het omgaan met leerlingen met verschillende problematiek, klassenmanagement, of differentiëren in de klas.

 
 

Onderwijszorg

Altra biedt een breed pallet van onderwijszorgvoorzieningen aan leerlingen die (tijdelijk) niet tot hun recht komen in het regulier onderwijs. Met behulp van handelingsgerichte diagnostiek kijken we wat speelt en wat nodig is. Van School2Care, Transferium, Beter pASSendklas tot de training Overstap; ieder bieden ze op hun eigen manier nieuw perspectief aan leerlingen. Variërend van tijdelijke opvang voor leerlingen die weer terug kunnen naar het reguliere onderwijs tot zwaardere voorzieningen voor leerlingen die nergens anders meer terecht kunnen.

 

Speciaal onderwijs

Altra College. Dit is een school voor voortgezet speciaal onderwijs, waar leerlingen met gedrags- of psychiatrische problemen van twaalf tot en met twintig jaar terecht kunnen. Altra College wil alle leerlingen op weg helpen naar een mooie toekomst. Altra College heeft een dekkend onderwijsaanbod van vmbo-basis tot vwo. Hierdoor kunnen we optimaal aansluiten bij de mogelijkheden van de leerlingen. Altra College heeft scholen in Amsterdam, Hoofddorp, Krommenie en Purmerend. Naast de reguliere afdelingen verzorgt Altra College onderwijs in besloten behandelcentra Amsterbaken en de Koppeling en in behandelcentra van de Bascule en Jellinek. Meer informatie over ons onderwijs staat op www.altra.nl/scholen

 
 

Bets Frijlingschool.

Een basisschool voor speciaal onderwijs voor kinderen van vier tot twaalf jaar in Purmerend. Het eerste wat we doen is kinderen weer positieve ervaringen op laten doen, zodat naar school gaan weer leuk wordt. Wanneer zij zich veilig en prettig voelen, komen zij beter tot leren en is er meer ruimte voor hun ontwikkeling. We werken met kleine groepen, daardoor krijgen de kinderen veel aandacht. Op de meeste basisscholen hoort de leerstof bij een leerjaar, maar bij ons zorgen we dat de lesstof bij het niveau van het kind past.

 

Altra.nl

 

Samenstelling en tekst: Heidi Offerman, Feija Doornenbal (altra.nl)

Ontwerp: Fanny Morriën (fannymorrien.nl)

Webdevelopement: Edwin Slothouber (swell.nl)

 

Met dank aan het Stadsarchief Amsterdam

 

Disclaimer:

Altra heeft zich ingespannen om alle rechthebbenden van het getoonde materiaal te achterhalen. De aard van het materiaal brengt evenwel met zich mee dat in sommige gevallen de identiteit of verblijfplaats van rechthebbenden in redelijkheid niet kan worden achterhaald. Meent u rechten te kunnen doen gelden dan kunt u zich bij ons melden. Dit kan via info@altracanon.nl.